Lijfrente bij inbreng kan later vastgelegd worden

Een belastingplichtige krijgt geen lijfrentepremieaftrek voor omzetting van zijn oudedagsreserve, omdat de stamrechtovereenkomst anderhalf jaar later op papier is gezet. Nadat de rechtbank de inspecteur in het gelijk had gesteld, mocht Gerechtshof in Den Haag zich buigen over de vraag of op het moment van inbreng een lijfrente is bedongen.

Hof Den Haag is van oordeel dat het bedingen van een lijfrente ter gelegenheid van de inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap tijdig had plaatsgevonden. Dat bijna twee jaar na inbreng het een en ander schriftelijk in een stamrechtovereenkomst is vastgelegd doet daar volgens het hof niets aan af. Er dient dan wel sprake te zijn van slechts een schriftelijke vastlegging van wat partijen bij de inbreng over de lijfrente hadden afgesproken.

Deze voorwaarde brengt met zich mee dat de reeds eerder gemaakte afspraken ergens uit moet blijken. Bijvoorbeeld een vermelding in de oprichtingsakte dat een lijfrente hebben bedongen of uit de openingsbalans van de besloten vennootschap. Daarnaast dient de inhoud van de overeenkomst volgende bepaalbaar te zijn. De hoogte van de lijfrente en onder welke omstandigheden de lijfrente wordt ingericht dient wel blijken uit stukken ten tijde van de inbreng.

Opmerkelijk aan deze uitspraak is dat het hof uitgaat van het moment waarop de wilsovereenstemming tot stand is gekomen. De formele afwikkeling van het lijfrenteaspect is en blijft van belang, alleen is niet per definitie doorslaggevend wil men kunnen aantonen dat ten tijde van inbreng een lijfrente is bedongen.

Bron: Hof Den Haag 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3122

Tot zover. Mocht u met betrekking tot vorenstaande vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Tagged with: , , ,
Posted in Inkomstenbelasting, Onderneming

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*